NOBELPRIJS VOOR DE SCHEIKUNDE 1901 - 2006
Tuesday, October 31st, 2006
NOBELPRIJS VOOR DE SCHEIKUNDE 1901 – 2006
Bron: Wikipedia
Datum 27-10-06
Vormgever: Karel Hageman

1901
Jacobus Henricus van ’t Hoff (Ned)
Voor zijn ontdekking van de wetten van chemische evenwichten en osmotische druk in oplossingen.
1902
Hermann Emil Fischer (Dui)
Voor zijn werk op het gebied van de suiker en purine syntheses.
1903
Svante August Arrhenius (Zwe)
Voor zijn elektrolytische dissociatietheorie.
1904
Sir William Ramsay (GB)
Voor zijn ontdekking van de edelgassen in lucht.
1905
Johann Friedrich Wilhelm Adolf von Baeyer (Dui)
Voor zijn werk op het gebied van organische verven en aromatische samenstellingen.
1906
Henri Moissau (Fra)
Voor zijn onderzoek naar en isolatie van het element fluor en voor zijn introductie van de naar hem genoemde elektrische oven.
1907
Eduard Buchner (Dui)
Voor zijn verdiensten in de gisttechnologie.
1908
Sir Ernest Rutherford (GB)
Voor zijn onderzoek naar het uiteenvallen van elementen en de chemie van radioactieve stoffen.
1909
Wilhelm Ostwald (Dui)
Voor zijn verdiensten in de katalyse en voor zijn onderzoek naar chemische evenwichten en reactiesnelheden.
1910
Otto Wallach (Dui)
Voor zijn verdiensten op het gebied van alicyclische samenstellingen.
1911
Marie Curie-Sklodowska (Fra)
Voor haar ontdekking van radium en polonium en voor haar studie naar de aard en samenstelling van deze opmerkelijke elementen.
1912
Victor Grignard (Fra), Paul Sabatier (Fra)
Voor zijn ontdekking van het Grignard reagens (Grignard)
Voor zijn methode voor het hydrogeneren van organische verbindingen (Sabatier)
1913
Alfred Werner (Zwi)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de verbinding tussen atomen in moleculen.
1914
Theodore William Richards (VS)
Voor zijn bepaling van het atoommassa van een groot aantal elementen.
1915
Richard Martin Willstätter (Dui)
Voor zijn onderzoek naar plantpigmenten.
1916
Geen Nobelprijs toegekend.
1917
Geen Nobelprijs toegekend.
1918
Fritz Haber (Dui)
Voor zijn synthese van ammonia.
1919
Geen Nobelprijs toegekend.
1920
Walther Hermann Nernst (Dui)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de thermochemie.
1921
Frederick Soddy (GB)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de chemie van radioactieve substanties en zijn onderzoek naar isotopen.
1922
Francis William Aston (GB)
Voor zijn ontdekking van isotopen in een groot aantal niet-radioactieve elementen en voor zijn Wet van de Gehele Getallen.
1923
Fritz Pregl (Oos)
Voor zijn uitvinding van de microanalyse methode voor organische substanties.
1924
Geen Nobelprijs toegekend.
1925
Richard Adolf Zsigmondy (Dui)
Voor zijn demonstratie van de heterogene aard van colloïdoplossingen en zijn gebruikte methodes.
1926
Theodor Svedberg (Zwe)
Voor zijn verdiensten op het gebied van disperse systemen.
1927
Heinrich Otto Wieland (Dui)
Voor zijn onderzoek naar galzuur en gerelateerde substanties.
1928
Adolf Otto Reinhold Windaus (Dui)
Voor zijn onderzoek naar sterines en hun verbinding met vitamines.
1929
Arthur Harden (GB), Hans Karl August Simon von Euler-Chelpin (Dui)
Voor hun onderzoek naar de fermentatie van suiker en fermentatie-enzymen.
1930
Hans Fischer (Dui)
Voor zijn onderzoek naar haemine en chlorofyl.
1931
Carl Bosch (Dui), Friedrich Bergius (Dui)
Voor hun bijdrage aan de chemische hoge druk methodes.
1932
Irving Langmuir (VS)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de grensvlakchemie.
1933
Geen Nobelprijs toegekend.
1934
Harold Clayton Urey (VS)
Voor zijn ontdekking van deuterium.
1935
Jean Frédéric Joliot (Fra), Irene Joliot-Curie (Fra)
Voor hun synthese van nieuwe radioactieve elementen.
1936
Petrus Josephus Wilhelmus Debye (Ned)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de moleculaire structuur door onderzoek naar dipoolmomenten en de diffractie van röntgenstralen en elektronen in gassen.
1937
Walter Norman Haworth (GB), Paul Karrer (Zwi)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de koolhydraten en vitamine C (Haworth)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de carotenoïden, flavines, vitamine A en vitamine B2 (Karrer)
1938
Richard Kuhn (Dui)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de carotenoïden en de vitamines.
1939
Adolf Friedrich Johann Butenandt (Dui), Lavoslav Ruzicka (Zwi)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de geslachtshormonen (Butenandt)
1940
Geen Nobelprijs toegekend.

1941
Geen Nobelprijs toegekend.
1942
Geen Nobelprijs toegekend.
1943
George de Hevesy (Hon)
Voor zijn verdiensten op het gebied van het gebruik van isotopen om chemische processen te bestuderen.
1944
Otto Hahn (Dui)
Voor zijn ontdekking van kernfusie van zware atoomkernen.
1945
Artturi Ilmari Virtanen (Fin)
Voor zijn onderzoek en ontdekkingen op het gebied van agricultuur en voedingschemie.
1946
James Batcheller Summer (VS), John Howard Northrop (VS), Wendell Meredith Stanley (VS)
Voor zijn ontdekking dat enzymen kunnen kristalliseren (Summer)
Voor hun bereiding van enzymen en viruseiwitten in een zuivere vorm (Northrop, Stanley)
1947
Sir Robert Robinson (GB)
Voor zijn onderzoek naar producten van planten, in het bijzonder de alkaloïden.
1948
Arne Wilhelm Kaurin Tiselius (Zwe)
Voor zijn onderzoek op het gebied van de elektroforese en de adsorptie analyse.
1949
William Francis Giauque (VS)
Voor zijn bijdragen op het gebied van de chemische thermodynamica.
1950
Otto Paul Hermann Diels (Dui), Kurt Alder (Dui)
Voor hun ontdekking en ontwikkeling van de diëensynthese. Diels-Alder reactie.
1951
Edwin Mattison McMillan (VS), Glenn Theodore Seaborg (VS)
Voor hun ontdekkingen in de chemie van de transuraan elementen.
1952
Arther John Porter Martin (GB), Richard Laurence Millington Synge (GB)
Voor hun uitvinding van partitiechromatografie.
1953
Hermann Staudinger (Dui)
Voor zijn ontdekkingen op het gebied van de macromoleculaire chemie.
1954
Linus Carl Pauling (VS)
Voor zijn onderzoek naar de aard van de chemische binding.
1955
Vincent de Vingeaud (VS)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van de zwavelverbindingen, in het bijzonder de eerste synthese van een polipeptide hormoon.
1956
Sir Cyril Norman Hinshelwood (GB), Nikolaevich Semenov (Rus)
Voor hun onderzoek naar het mechanisme van chemische reacties.
1957
Sir Alexander Robert Todd (GB)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van nucleotides en hun co-enzymen.
1958
Frederick Sanger (GB)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van de structuur van eiwitten, in het bijzonder insuline.
1959
Jaroslav Heyrovský (Tsjechoslowakije)
Voor zijn ontdekking en ontwikkeling van de polarografische analysemethodes.
1960
Willard Frank Libby (VS)
Voor zijn methode om koolstof-14 te gebruiken voor ouderdomsbepaling.
1961
Melvin Calvin (VS)
Voor zijn onderzoek naar de assimilatie van koolstofdioxide in planten.
1962
Max Ferdinand Perutz (GB), John Cowdery Kendrew (GB)
Voor hun studie naar de structuur van myoglobine.
1963
Karl Ziegler (Dui), Giulio Natta (Italië)
Voor hun ontdekkingen op het gebied van de hoge polymeren.
1964
Dorothy Crowfoot Hodgkin (GB)
Voor haar bepaling van de structuur van belangrijke biochemische stoffen met behulp van röntgentechnieken.
1965
Robert Burns Woodward (VS)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de organische syntheses.
1966
Robert Sanderson Mulliken (VS)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de chemische binding en de elektronische structuur van moleculen.
1967
Manfred Eigen (Dui), Ronald George Wreyford Norrish (GB), George Porter (GB)
Voor hun studies naar zeer snelle reacties.
1968
Lars Onsager (VS)
Voor de ontdekking van de naar hem genoemde reciproce relatie.
1969
Derek Harold Richardson Barton (GB), Odd Hassel (Noorwegen)
Voor hun bijdragen aan de ontwikkeling van het begrip conformatie.
1970
Luis Federico Leloir (Arg)
Voor zijn ontdekking van suikernucleotiden en hun rol in de biosynthese van koolhydraten.

1971
Gerhard Herzberg (Can)
Voor zijn bijdrage aan de elektronenstructuur en de geometrie van moleculen, in het bijzonder vrije radicalen.
1972
Christian Boehmer Anfinsen (VS), Stanford Moore (VS), William Howard Stein (VS)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de ribonuclease (Anfinsen)
Voor hun bijdragen aan het begrip van de link tussen de chemische structuur en de katalytische activiteit van het ribonucleasemolecuul (Moore, Stein)
1973
Ernst Otto Fischer (Dui), Geofrey Wilkinson (GB)
Voor hun verdiensten op het gebied van de chemie van de oreganometallische verbindingen.
1974
Paul John Flory (VS)
Voor zijn fundamentele verrichtingen, zowel theoretisch als experimenteel, op het gebied van de fysische chemie van macromoleculen.
1975
John Warcup Cornforth (Aus), Vladimir Prelog (Zwi)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van de stereochemie van enzymgekatalyseerde reacties (Cornforth)
Voor zijn onderzoek naar de stereochemie van organische moleculen en reacties (Prelog)
1976
William Nunn Lipscomb (VS)
Voor zijn studie naar de structuur van boranen.
1977
Ilya Prigogine (België)
Voor zijn bijdrage aan de niet-evenwicht thermodynamica.
1978
Peter Dennis Mitchell (GB)
Voor zijn formulering van de chemieosmotische theorie.
1979
Herbert Charles Brown (GB), Georg Wittig (Dui)
Voor hun ontwikkeling van het gebruik van boor- en fosforbevattende samenstellingen als reagenten in organische syntheses.
1980
Paul Berg (VS), Walter Gilbert (VS), Frederick Sanger (GB)
Voor zijn fundamentele studie naar de biochemie van nucleïnezuren, in het bijzonder recombinant-DNA (Berg)
Voor hun bijdragen aan de bepaling van basenvolgorde in nucleïnezuren (Gilbert, Sanger)

1981
Kenichi Fukui (Japan), Roald Hoffmann (VS)
Voor hun theorieën op het gebied van het verloop van chemische reacties.
1982
Aaron Klug (GB)
Voor zijn ontwikkeling van kritallografische elektronenmicroscopie.
1983
Henry Taube (VS)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van mechanismes van elektronenoverdrachtsreacties.
1984
Robert Bruce Merrifield (VS)
Voor zijn ontwikkeling van de methodologie voor chemische syntheses op een vaste matrix.
1985
Herbert Aaron Hauptman (VS), Jerome Karle (VS)
Voor hun ontwikkeling van directe methodes voor de bepaling van kristalstructuren.
1986
Dudley Robert Herschbach (VS), Yuan Tseh Lee (VS), John Charles Polanyi (Can)
Voor hun bijdragen op het gebied van de dynamica van elementaire chemische processen.
1987
Donald James Cram (VS), Jean-Marie Lehn (Fra), Charles John Pedersen (VS) Voor hun ontwikkeling en gebruik van moleculen met structuurspecifieke interacties met hoge selectiviteit.
1988
Johann Deisenhofer (Dui), Robert Huber (Dui), Hartmut Michel (Dui)
Voor hun bepaling van de driedimensionale structuur van een fotosynthetisch reactiecentrum.
1989
Sidney Altman (Can), Thomas Robert Cech (VS)
Voor hun ontdekking van katalytische eigenschappen van RNA.
1990
Elias James Corey (VS)
Voor zijn ontwikkeling van de theorie en methodologie van organische syntheses.
1991
Richard Robert Ernst (Zwi)
Voor zijn bijdragen aan de ontwikkeling van hogere resolutie NMR-spectroscopie.
1992
Rudolph Arthur Marcus (VS)
Voor zijn bijdragen aan de theorie van elektronenoverdrachtsreacties in chemische systemen.
1993
Kary Banks Mullis (VS), Michael Smith (Can)
Voor hun bijdragen aan de ontwikkeling van methodes binnen de DNA-chemie.
1994
George Andrew Olah (VS)
Voor zijn bijdragen aan de carbokationchemie.
1995
Paul Josef Crutzen (Ned), Mario Jose Molina (VS), Frank Sherwood Rowland (VS)
Voor hun verrichtingen op het gebied van de atmosfeerchemie, in het bijzonder het ozongat.
1996
Robert Curl (VS), Sir Harold Kroto (GB), Richard Smalley (VS)
Voor hun ontdekking van fullerenen.
1997
Paul Delos Boyer (VS), John Ernest Walker (GB), Jens Christian Skou (Den)
Voor hun verklaring van het enzymatische mechanisme bij de synthese van ATP (Boyer, Walker)
Voor zijn ontdekking van het ionentransport Na+K+-ATPase (Skou)
1998
Walter Kohn (VS), John Anthong Pople (GB)
Voor zijn ontwikkeling van de dichtheidsfunctionele theorie (Kohn)
Voor zijn ontwikkeling van computationele methodes in de kwantumchemie (Pople)
1999
Ahmed Hassan Zewail (Egypte)
Voor zijn studie naar de overgangstoestanden van chemische reacties met behulp van femtoseconde spectroscopie.
2000
Alan Jay Heeger (VS), Alan Graham MacDiarmid (Nieuw-Zeeland), Hideki Shirakawa (Japan)
Voor hun ontdekking en ontwikkeling van geleidende polymeren.

2001
William Standish Knowles (VS), Ryoji Noyori (Japan), Karl Barry Sharpless (VS)
Voor hun verrichtingen op het gebied van chiraal gekatalyseerde hydrogeneringsreacties (Knowles, Noyori)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van chiraal gekatalyseerde oxidatiereacties (Sharpless)
2002
Kurt Wüthrich (Zwi), John Bennett Fenn (VS), Koichi Tanaka (Japan)
Voor hun ontwikkeling van methodes voor identificatie en structuuranalyse van biologische macromoleculen.
2003
Peter Agre (VS), Roderick MacKinnon (VS)
Voor hun ontdekkingen op het gebied van kanalen in celmembranen.
2004
Aaron Ciechanover (Israël), Avram Hershko (Israël), Irwin A. Rose (VS)
Voor hun ontdekking van de rol van ubiquitine bij de eiwitdegradatie.
2005
Robert Howard Grubbs (VS), Richard Royce Shrock (VS), Yves Chauvin (Fra)
Voor de ontwikkeling van de metathesenmethode in de organische syntheses.
2006
Roger D. Kornberg (VS)
Voor de studie van de moleculaire basis van eukaryotische transcriptie.

Onans Lemming heeft de lijst van de Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 -2006 eens nader bekeken.
In 106 jaar werd de prijs 98 keer (92,5%) wel uitgereikt en 8 keer (7,5%) niet (1916, 1917, 1919, 1924, 1933, 1940, 1941 en 1942).
Van deze 98 keer werd hij 61 keer (62,2%) toegekend aan één persoon, 22 keer (22,5%) moesten ze de prijs delen en 15 keer (15,3%) vielen 3 personen in de prijzen.
In totaal kregen 150 scheikundigen deze prijs.
Ranglijst Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar land
|
Land |
Aantal |
|
Verenigde Staten |
53 |
|
Duitsland |
28 |
|
Groot-Brittannië |
25 |
|
Frankrijk |
8 |
|
Zwitserland |
6 |
|
Canada |
4 |
|
Japan |
4 |
|
Nederland |
3 |
|
Zweden |
3 |
|
Nieuw-Zeeland |
2 |
|
Israël |
2 |
|
Oostenrijk |
1 |
|
Hongarije |
1 |
|
Finland |
1 |
|
Rusland |
1 |
|
Tsjecho-Slowakije |
1 |
|
Italië |
1 |
|
Noorwegen |
1 |
|
Argentinië |
1 |
|
Australië |
1 |
|
België |
1 |
|
Denemarken |
1 |
|
Egypte |
1 |

1970
|
Land |
Bevolking (miljoenen) |
Verhoudingsgetal |
|
Verenigde Staten |
200,3 |
71,5 |
|
Duitsland |
79,0 |
28,2 |
|
Groot-Brittannië |
55.9 |
20,0 |
|
Frankrijk |
50,8 |
18,1 |
|
Zwitserland |
6,3 |
2,3 |
|
Canada |
21,4 |
7,6 |
|
Japan |
103,5 |
37,0 |
|
Nederland |
13,1 |
4,7 |
|
Zweden |
8,0 |
2,9 |
|
Nieuw-Zeeland |
2,8 |
1,0 |
|
Israël |
2,9 |
1,0 |
|
Oostenrijk |
7,4 |
2,6 |
|
Hongarije |
10,3 |
3,7 |
|
Finland |
4,7 |
1,7 |
|
Rusland |
242,8 |
86,7 |
|
Tsjecho-Slowakije |
14,5 |
5,2 |
|
Italië |
53,7 |
19,2 |
|
Noorwegen |
3,9 |
1,4 |
|
Argentinië |
24,4 |
8,7 |
|
Australië |
12,6 |
4,5 |
|
België |
9,7 |
3,5 |
|
Denemarken |
4,9 |
1,8 |
|
Egypte |
33,3 |
11,9 |

Ranglijst Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar land
Gecorrigeerd voor de bevolkingsgrootte (x 100)
|
Land |
Aantal |
|
Zwitserland |
260,9 |
|
Nieuw-Zeeland |
200,0 |
|
Israël |
200,0 |
|
Groot-Brittannië |
125,0 |
|
Zweden |
103,4 |
|
Duitsland |
99,3 |
|
Verenigde Staten Noorwegen |
74,1 71,4 |
|
Nederland |
63,8 |
|
Finland |
58,8 |
|
Denemarken |
55,6 |
|
Canada Frankrijk |
52,6 44,2 |
|
Oostenrijk |
38,5 |
|
België |
28,6 |
|
Hongarije Australië |
27,0 22,2 |
|
Tsjecho-Slowakije |
19,2 |
|
Argentinië |
11,5 |
|
Japan |
10,8 |
|
Egypte |
8,4 |
|
Italië |
5,2 |
|
Rusland |
1,2 |
Nederlandse Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901-2006
|
Naam |
Jaar |
|
Jacobus Henricus van ‘t Hoff |
1901 |
|
Petrus Josephus Wilhelmus Debije |
1936 |
|
Paul Crutzen |
1995 |

Ranglijst Puntentotaal Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar werelddelen
|
Werelddelen |
Aantal |
|
Europa |
36 |
|
Amerika |
15 |
|
Azië |
5 |
|
Oceanië |
0 |
|
Afrika |
0 |
Ranglijst Puntentotaal Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar werelddelen
Gecorrigeerd voor de bevolkingsgrootte
|
Werelddelen |
Aantal |
|
Europa |
37 |
|
Azië |
9 |
|
Oceanië |
9 |
|
Amerika |
4 |
|
Afrika |
0 |

Jacobus Henricus van ’t Hoff (1852-1911)
Nobelprijs voor de Scheikunde 1901
Jacobus Henricus van ’t Hoff werd geboren op 30 augustus 1852. Hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader was, zoals veel van zijn voorvaders, burgemeester van het Zuid-Hollandse dorp Groote Lind. Normaal gesproken zou een telg uit zo’n geslacht vanzelfsprekend naar het gymnasium gaan. Van ’t Hoff toonde echter al vroeg een voorliefde voor de natuurwetenschappen en het onderwijs daarin stond inmiddels op de HBS op een hoog niveau. Na de HBS werd hem voor zijn studie in Leiden dispensatie verleend voor Grieks en Latijn. Hij behaalde zijn kandidaatsexamen en vertrok naar Duitsland en later naar Frankrijk, waar hij werkte in de laboratoria van twee grote mannen in de chemie in die tijd: Kekulé en Wurtz. In 1873 behaalde hij in Utrecht zijn doctoraal om daarna door te reizen naar Parijs. Een jaar later keert hij terug naar Utrecht om te promoveren. Zijn proefschrift was getiteld Bijdrage tot de kennis van het cyaanazijnzuur en het malonzuur.
Veel grotere naam maakte hij echter met een boekje dat enige maanden daarvoor verscheen: Voorstel tot Uitbreiding der Tegenwoordige in de Scheikunde gebruikte Structuurformules in de Ruimte, benevens een daarmee samenhangende Opmerking omtrent het Verband tusschen Optisch Actief Vermogen en chemische Constitutie van Organische Verbindingen. In dit boekje, dat slechts 13 pagina’s bevatte, zette hij een nieuwe visie op chemische structuurformules uiteen. Een structuurformule geeft inzicht in de chemische samenstelling van een stof. Zo kunnen verschillende stoffen, die dezelfde elementen in dezelfde verhouding bevatten, toch worden onderscheiden. Dit bleek echter nog niet voldoende om verwarring over stoffen uit te sluiten. De Duitse scheikundige Wislicenus had al in 1873 zijn vermoeden gepubliceerd, dat dit samenhing met een verschillende ruimtelijke uitwerking van de structuurformule. Van ’t Hoff werkte dit verder uit, met behulp van kartonnen modellen, en kwam tot een driedimensionale weergave van de structuurformules. Tot die tijd waren de tekeningen van moleculen altijd tweedimensionaal geweest. Zijn ruimtelijke weergave van atomen en moleculen loste bovendien nog een aantal onverklaarde waarnemingen op. Hij was met zijn voorstel één van de pioniers van de zogenaamde stereochemie. Van ’t Hoffs stelling was in het Nederlands geschreven en werd pas internationaal bekend na de Duitse vertaling door een leerling van Wislicenus.
Maatschappelijk ging het Van ’t Hoff in eerste instantie niet voor de wind. Alleen de veeartsenopleiding in Utrecht had een baan voor hem. De nieuwe hoogonderwijswet van 1876, waarbij een aantal nieuwe universiteiten werden gecreëerd, gaf hem – zoals veel van zijn generatiegenoten – zijn kans. Na twee jaar kon hij zijn lectoraat al inruilen voor een hoogleraarschap in de chemie, mineralogie en geologie in Amsterdam. Zijn inaugurele rede Verbeeldingskracht in de Wetenschap toonde aan, dat alle grote wetenschappers deze eigenschap in hoge mate bezaten. In Amsterdam werden vervolgens verwoede pogingen gedaan hem te behouden voor de universiteit. Hij kreeg zelfs een eigen laboratorium. Toch vertrok hij in 1886 naar Pruisen, waar hij van de Pruisische Academie van Wetenschappen alle ruimte kreeg om aan zijn onderzoek te werken. Iets waar hij in Amsterdam, door de hoge onderwijsdruk, nauwelijks meer aan toekwam. In 1911 overleed hij op 56-jarige leeftijd aan tuberculose.
Naast de ontwikkeling van de stereochemie werkte Van ’t Hoff aan twee andere belangrijke onderzoeksterreinen. In de eerste plaats was dit het chemisch evenwicht, een situatie waarin de verhoudingen tussen twee of meer stoffen stabiel zijn. Een andere onderwerp was de studie naar osmose. Osmose stelt plantencellen, rode bloedlichaampjes of andere cellen in staat om water uit de omgeving aan te zuigen en vast te houden. Er is echter een grens aan de hoeveelheid water die zo’n element kan opnemen. Van ’t Hoff leverde de theoretische onderbouwing van dit fenomeen, dat al enige decennia daarvoor was vastgesteld.
Van ’t Hoff was de allereerste winnaar van de Nobelprijs voor de Scheikunde. De Nobelprijs voor de Chemie werd hem toegekend voor zijn werk op het gebied van de osmotische druk en het chemisch evenwicht, niet voor de introductie van de stereochemie.

Petrus Josephus Wilhelmus Debije (1884-1966)
Npbelprijs voor de Scheikunde 1936
Vormgever: Karel Hageman
Petrus Debije werd op 24 maart 1884 in Maastricht geboren. Zijn schooltijd was, naast een later verblijf aan de Universiteit, de enige tijd die hij in Nederland doorbracht. Hij ging studeren in Aken, waar hij al snel opviel. In 1905 studeerde hij af in de elektrotechniek en werd hij assistent van de natuurkundige Arnold Sommerfeld. Na zijn promotie in 1908 en een verblijf in München en Zürich, keerde hij in 1912 voor een korte periode terug naar Nederland als hoogleraar in de theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Utrecht. Daarna keerde hij weer naar Duitsland. Hij werd eindredacteur van het belangrijke Physikalische Zeitschrift en hield professoraten bij verschillende universiteiten.
Debijes onderzoek concentreerde zich op de structuur van atomen en moleculen. De natuurkunde stond in die jaren in het teken van de grote theorieën: de kwantummechanica en de relativiteitstheorie. Debije volgde dit nauwlettend, maar was zelf zeer gericht op de praktische toepasbaarheid van zijn bevindingen. Zo leverde hij een grote bijdrage aan de toepasbaarheid van de kwantummechanica. Zijn bekendheid, en zijn Nobelprijs, dankte hij echter voornamelijk aan meetmethoden voor onderzoek naar de structuur van moleculen.
In 1910, toen hij als assistent van Sommerfeld in München werkte, werkte deze aan nieuwe manieren om aan te tonen hoe atomen en moleculen in een kristal gerangschikt zijn. Hiervoor liet hij een smalle lichtstraal door een kristel heen op een scherm vallen. Uit het patroon dat hierdoor zichtbaar werd, kon afgeleid worden, hoe de atomen in het kristal zich tot elkaar verhielden. Deze methode werd later doorontwikkeld, door gebruik te maken van röntgenstraling in plaats van licht. Debije benaderde het probleem zowel praktisch als theoretisch en kwam met een verbetering door gebruik te maken van poeder, en later ook van vloeistoffen, in plaats van kristallen. Uiteindelijk lukte het hem in 1929 ook om de afstanden van de atomen binnen een molecuul te meten door röntgenstralen door een gas te leiden. Het was met name deze doorbraak, die er toe leidde, dat hem in 1936 als natuurkundige de Nobelprijs voor de Scheikunde toegekend.
Twee jaar eerder was hij als opvolger van Einstein, die als jood het werken onmogelijk was gemaakt, benoemd tot directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut voor Natuurkunde in Berlijn. Onder zijn naam kreeg het de naam, waaronder het nog altijd bekend is: het Max Planck Instituut. Einstein, met wie hij al eerder in contact was gekomen, nam Debije deze stap altijd kwalijk. Debije hoefde als Nederlander, in eerste instantie, geen loyaliteitsverklaring aan het nazi-regime te tekenen. Na zijn Nobelprijs werd de druk op Debije, om zich tot Duitser te laten naturaliseren, echter steeds groter. Hij weigerde en vertrok naar de Verenigde Staten, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij bleef tot 1952 als hoogleraar scheikunde verbonden aan de Cornell University. De veelzijdige Limburgse Nobelprijswinnaar overleed in 1966.
In het voorjaar van 2006 is enige ophef ontstaan over de rol van Peter Debije in de periode 1933-1945. OCW heeft het NIOD opdracht gegeven, om onderzoek te doen naar de houding van Nobelprijswinnaar Debije tegenover het Derde Rijk.
1884 geboren op 24 maart 1884
1905 studeert af in elektrotechniek
1908 promotie
1910 werkzaam in München
1912 keert voor een korte periode terug naar Nederland
1934 directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut voor Natuurkunde te Berlijn
1936 krijgt als natuurkundige de Nobelprijs voor de Scheikunde
1952 einde hoogleraarschap aan de Cornell Universty (VS)
1966 overleden
2006 ophef over de rol van Peter Debije in de periode 1933-1945


