Archive for October, 2006

NOBELPRIJS VOOR DE SCHEIKUNDE 1901 - 2006

Tuesday, October 31st, 2006

NOBELPRIJS VOOR DE SCHEIKUNDE 1901 – 2006
Bron: Wikipedia
Datum 27-10-06
Vormgever: Karel Hageman

1901
Jacobus Henricus van ’t Hoff (Ned)

Voor zijn ontdekking van de wetten van chemische evenwichten en osmotische druk in oplossingen.

1902
Hermann Emil Fischer (Dui)

Voor zijn werk op het gebied van de suiker en purine syntheses.

1903
Svante August Arrhenius (Zwe)

Voor zijn elektrolytische dissociatietheorie.

1904
Sir William Ramsay (GB)

Voor zijn ontdekking van de edelgassen in lucht.

1905
Johann Friedrich Wilhelm Adolf von Baeyer (Dui)

Voor zijn werk op het gebied van organische verven en aromatische samenstellingen.

1906
Henri Moissau (Fra)

Voor zijn onderzoek naar en isolatie van het element fluor en voor zijn introductie van de naar hem genoemde elektrische oven.

1907
Eduard Buchner (Dui)

Voor zijn verdiensten in de gisttechnologie.

1908
Sir Ernest Rutherford (GB)

Voor zijn onderzoek naar het uiteenvallen van elementen en de chemie van radioactieve stoffen.

1909
Wilhelm Ostwald (Dui)

Voor zijn verdiensten in de katalyse en voor zijn onderzoek naar chemische evenwichten en reactiesnelheden.

1910
Otto Wallach (Dui)

Voor zijn verdiensten op het gebied van alicyclische samenstellingen.

1911
Marie Curie-Sklodowska (Fra)

Voor haar ontdekking van radium en polonium en voor haar studie naar de aard en samenstelling van deze opmerkelijke elementen.

1912
Victor Grignard (Fra), Paul Sabatier (Fra)

Voor zijn ontdekking van het Grignard reagens (Grignard)
Voor zijn methode voor het hydrogeneren van organische verbindingen (Sabatier)

1913
Alfred Werner (Zwi)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de verbinding tussen atomen in moleculen.

1914
Theodore William Richards (VS)

Voor zijn bepaling van het atoommassa van een groot aantal elementen.

1915
Richard Martin Willstätter (Dui)

Voor zijn onderzoek naar plantpigmenten.

1916
Geen Nobelprijs toegekend.

1917
Geen Nobelprijs toegekend.

1918
Fritz Haber (Dui)

Voor zijn synthese van ammonia.

1919
Geen Nobelprijs toegekend.

1920
Walther Hermann Nernst (Dui)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de thermochemie.

1921
Frederick Soddy (GB)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de chemie van radioactieve substanties en zijn onderzoek naar isotopen.

1922
Francis William Aston (GB)

Voor zijn ontdekking van isotopen in een groot aantal niet-radioactieve elementen en voor zijn Wet van de Gehele Getallen.

1923
Fritz Pregl (Oos)

Voor zijn uitvinding van de microanalyse methode voor organische substanties.

1924
Geen Nobelprijs toegekend.

1925
Richard Adolf Zsigmondy (Dui)

Voor zijn demonstratie van de heterogene aard van colloïdoplossingen en zijn gebruikte methodes.

1926
Theodor Svedberg (Zwe)

Voor zijn verdiensten op het gebied van disperse systemen.

1927
Heinrich Otto Wieland (Dui)

Voor zijn onderzoek naar galzuur en gerelateerde substanties.

1928
Adolf Otto Reinhold Windaus (Dui)

Voor zijn onderzoek naar sterines en hun verbinding met vitamines.

1929
Arthur Harden (GB), Hans Karl August Simon von Euler-Chelpin (Dui)

Voor hun onderzoek naar de fermentatie van suiker en fermentatie-enzymen.

1930
Hans Fischer (Dui)

Voor zijn onderzoek naar haemine en chlorofyl.

1931
Carl Bosch (Dui), Friedrich Bergius (Dui)

Voor hun bijdrage aan de chemische hoge druk methodes.

1932
Irving Langmuir (VS)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de grensvlakchemie.

1933
Geen Nobelprijs toegekend.

1934
Harold Clayton Urey (VS)

Voor zijn ontdekking van deuterium.

1935
Jean Frédéric Joliot (Fra), Irene Joliot-Curie (Fra)

Voor hun synthese van nieuwe radioactieve elementen.

1936
Petrus Josephus Wilhelmus Debye (Ned)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de moleculaire structuur door onderzoek naar dipoolmomenten en de diffractie van röntgenstralen en elektronen in gassen.

1937
Walter Norman Haworth (GB), Paul Karrer (Zwi)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de koolhydraten en vitamine C (Haworth)
Voor zijn verdiensten op het gebied van de carotenoïden, flavines, vitamine A en vitamine B2 (Karrer)

1938
Richard Kuhn (Dui)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de carotenoïden en de vitamines.

1939
Adolf Friedrich Johann Butenandt (Dui), Lavoslav Ruzicka (Zwi)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de geslachtshormonen (Butenandt)

1940
Geen Nobelprijs toegekend.

1941
Geen Nobelprijs toegekend.

1942
Geen Nobelprijs toegekend.

1943
George de Hevesy (Hon)

Voor zijn verdiensten op het gebied van het gebruik van isotopen om chemische processen te bestuderen.

1944
Otto Hahn (Dui)

Voor zijn ontdekking van kernfusie van zware atoomkernen.

1945
Artturi Ilmari Virtanen (Fin)

Voor zijn onderzoek en ontdekkingen op het gebied van agricultuur en voedingschemie.

1946
James Batcheller Summer (VS), John Howard Northrop (VS), Wendell Meredith Stanley (VS)

Voor zijn ontdekking dat enzymen kunnen kristalliseren (Summer)
Voor hun bereiding van enzymen en viruseiwitten in een zuivere vorm (Northrop, Stanley)

1947
Sir Robert Robinson (GB)

Voor zijn onderzoek naar producten van planten, in het bijzonder de alkaloïden.

1948
Arne Wilhelm Kaurin Tiselius (Zwe)

Voor zijn onderzoek op het gebied van de elektroforese en de adsorptie analyse.

1949
William Francis Giauque (VS)

Voor zijn bijdragen op het gebied van de chemische thermodynamica.

1950
Otto Paul Hermann Diels (Dui), Kurt Alder (Dui)

Voor hun ontdekking en ontwikkeling van de diëensynthese. Diels-Alder reactie.

1951
Edwin Mattison McMillan (VS), Glenn Theodore Seaborg (VS)

Voor hun ontdekkingen in de chemie van de transuraan elementen.

1952
Arther John Porter Martin (GB), Richard Laurence Millington Synge (GB)

Voor hun uitvinding van partitiechromatografie.

1953
Hermann Staudinger (Dui)

Voor zijn ontdekkingen op het gebied van de macromoleculaire chemie.

1954
Linus Carl Pauling (VS)

Voor zijn onderzoek naar de aard van de chemische binding.

1955
Vincent de Vingeaud (VS)

Voor zijn verrichtingen op het gebied van de zwavelverbindingen, in het bijzonder de eerste synthese van een polipeptide hormoon.

1956
Sir Cyril Norman Hinshelwood (GB), Nikolaevich Semenov (Rus)

Voor hun onderzoek naar het mechanisme van chemische reacties.

1957
Sir Alexander Robert Todd (GB)

Voor zijn verrichtingen op het gebied van nucleotides en hun co-enzymen.

1958
Frederick Sanger (GB)

Voor zijn verrichtingen op het gebied van de structuur van eiwitten, in het bijzonder insuline.

1959
Jaroslav Heyrovský (Tsjechoslowakije)

Voor zijn ontdekking en ontwikkeling van de polarografische analysemethodes.

1960
Willard Frank Libby (VS)

Voor zijn methode om koolstof-14 te gebruiken voor ouderdomsbepaling.

1961
Melvin Calvin (VS)

Voor zijn onderzoek naar de assimilatie van koolstofdioxide in planten.

1962
Max Ferdinand Perutz (GB), John Cowdery Kendrew (GB)

Voor hun studie naar de structuur van myoglobine.

1963
Karl Ziegler (Dui), Giulio Natta (Italië)

Voor hun ontdekkingen op het gebied van de hoge polymeren.

1964
Dorothy Crowfoot Hodgkin (GB)

Voor haar bepaling van de structuur van belangrijke biochemische stoffen met behulp van röntgentechnieken.

1965
Robert Burns Woodward (VS)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de organische syntheses.

1966
Robert Sanderson Mulliken (VS)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de chemische binding en de elektronische structuur van moleculen.

1967
Manfred Eigen (Dui), Ronald George Wreyford Norrish (GB), George Porter (GB)

Voor hun studies naar zeer snelle reacties.

1968
Lars Onsager (VS)

Voor de ontdekking van de naar hem genoemde reciproce relatie.

1969
Derek Harold Richardson Barton (GB), Odd Hassel (Noorwegen)

Voor hun bijdragen aan de ontwikkeling van het begrip conformatie.

1970
Luis Federico Leloir (Arg)

Voor zijn ontdekking van suikernucleotiden en hun rol in de biosynthese van koolhydraten.

1971
Gerhard Herzberg (Can)

Voor zijn bijdrage aan de elektronenstructuur en de geometrie van moleculen, in het bijzonder vrije radicalen.

1972
Christian Boehmer Anfinsen (VS), Stanford Moore (VS), William Howard Stein (VS)

Voor zijn verdiensten op het gebied van de ribonuclease (Anfinsen)
Voor hun bijdragen aan het begrip van de link tussen de chemische structuur en de katalytische activiteit van het ribonucleasemolecuul (Moore, Stein)

1973
Ernst Otto Fischer (Dui), Geofrey Wilkinson (GB)

Voor hun verdiensten op het gebied van de chemie van de oreganometallische verbindingen.

1974
Paul John Flory (VS)

Voor zijn fundamentele verrichtingen, zowel theoretisch als experimenteel, op het gebied van de fysische chemie van macromoleculen.

1975
John Warcup Cornforth (Aus), Vladimir Prelog (Zwi)

Voor zijn verrichtingen op het gebied van de stereochemie van enzymgekatalyseerde reacties (Cornforth)
Voor zijn onderzoek naar de stereochemie van organische moleculen en reacties (Prelog)

1976
William Nunn Lipscomb (VS)

Voor zijn studie naar de structuur van boranen.

1977
Ilya Prigogine (België)

Voor zijn bijdrage aan de niet-evenwicht thermodynamica.

1978
Peter Dennis Mitchell (GB)

Voor zijn formulering van de chemieosmotische theorie.

1979
Herbert Charles Brown (GB), Georg Wittig (Dui)

Voor hun ontwikkeling van het gebruik van boor- en fosforbevattende samenstellingen als reagenten in organische syntheses.

1980
Paul Berg (VS), Walter Gilbert (VS), Frederick Sanger (GB)

Voor zijn fundamentele studie naar de biochemie van nucleïnezuren, in het bijzonder recombinant-DNA (Berg)
Voor hun bijdragen aan de bepaling van basenvolgorde in nucleïnezuren (Gilbert, Sanger)

1981
Kenichi Fukui (Japan), Roald Hoffmann (VS)

Voor hun theorieën op het gebied van het verloop van chemische reacties.

1982
Aaron Klug (GB)

Voor zijn ontwikkeling van kritallografische elektronenmicroscopie.

1983
Henry Taube (VS)

Voor zijn verrichtingen op het gebied van mechanismes van elektronenoverdrachtsreacties.

1984
Robert Bruce Merrifield (VS)

Voor zijn ontwikkeling van de methodologie voor chemische syntheses op een vaste matrix.

1985
Herbert Aaron Hauptman (VS), Jerome Karle (VS)

Voor hun ontwikkeling van directe methodes voor de bepaling van kristalstructuren.

1986
Dudley Robert Herschbach (VS), Yuan Tseh Lee (VS), John Charles Polanyi (Can)

Voor hun bijdragen op het gebied van de dynamica van elementaire chemische processen.

1987
Donald James Cram (VS), Jean-Marie Lehn (Fra), Charles John Pedersen (VS)
Voor hun ontwikkeling en gebruik van moleculen met structuurspecifieke interacties met hoge selectiviteit.

1988
Johann Deisenhofer (Dui), Robert Huber (Dui), Hartmut Michel (Dui)

Voor hun bepaling van de driedimensionale structuur van een fotosynthetisch reactiecentrum.

1989
Sidney Altman (Can), Thomas Robert Cech (VS)

Voor hun ontdekking van katalytische eigenschappen van RNA.

1990
Elias James Corey (VS)

Voor zijn ontwikkeling van de theorie en methodologie van organische syntheses.

1991
Richard Robert Ernst (Zwi)

Voor zijn bijdragen aan de ontwikkeling van hogere resolutie NMR-spectroscopie.

1992
Rudolph Arthur Marcus (VS)

Voor zijn bijdragen aan de theorie van elektronenoverdrachtsreacties in chemische systemen.

1993
Kary Banks Mullis (VS), Michael Smith (Can)

Voor hun bijdragen aan de ontwikkeling van methodes binnen de DNA-chemie.

1994
George Andrew Olah (VS)

Voor zijn bijdragen aan de carbokationchemie.

1995
Paul Josef Crutzen (Ned), Mario Jose Molina (VS), Frank Sherwood Rowland (VS)

Voor hun verrichtingen op het gebied van de atmosfeerchemie, in het bijzonder het ozongat.

1996
Robert Curl (VS), Sir Harold Kroto (GB), Richard Smalley (VS)

Voor hun ontdekking van fullerenen.

1997
Paul Delos Boyer (VS), John Ernest Walker (GB), Jens Christian Skou (Den)

Voor hun verklaring van het enzymatische mechanisme bij de synthese van ATP (Boyer, Walker)
Voor zijn ontdekking van het ionentransport Na+K+-ATPase (Skou)

1998
Walter Kohn (VS), John Anthong Pople (GB)

Voor zijn ontwikkeling van de dichtheidsfunctionele theorie (Kohn)
Voor zijn ontwikkeling van computationele methodes in de kwantumchemie (Pople)

1999
Ahmed Hassan Zewail (Egypte)

Voor zijn studie naar de overgangstoestanden van chemische reacties met behulp van femtoseconde spectroscopie.

2000
Alan Jay Heeger (VS), Alan Graham MacDiarmid (Nieuw-Zeeland), Hideki Shirakawa (Japan)

Voor hun ontdekking en ontwikkeling van geleidende polymeren.

2001
William Standish Knowles (VS), Ryoji Noyori (Japan), Karl Barry Sharpless (VS)

Voor hun verrichtingen op het gebied van chiraal gekatalyseerde hydrogeneringsreacties (Knowles, Noyori)
Voor zijn verrichtingen op het gebied van chiraal gekatalyseerde oxidatiereacties (Sharpless)

2002
Kurt Wüthrich (Zwi), John Bennett Fenn (VS), Koichi Tanaka (Japan)

Voor hun ontwikkeling van methodes voor identificatie en structuuranalyse van biologische macromoleculen.

2003
Peter Agre (VS), Roderick MacKinnon (VS)

Voor hun ontdekkingen op het gebied van kanalen in celmembranen.

2004
Aaron Ciechanover (Israël), Avram Hershko (Israël), Irwin A. Rose (VS)

Voor hun ontdekking van de rol van ubiquitine bij de eiwitdegradatie.

2005
Robert Howard Grubbs (VS), Richard Royce Shrock (VS), Yves Chauvin (Fra)

Voor de ontwikkeling van de metathesenmethode in de organische syntheses.

2006
Roger D. Kornberg (VS)

Voor de studie van de moleculaire basis van eukaryotische transcriptie.

Onans Lemming heeft de lijst van de Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 -2006 eens nader bekeken.
In 106 jaar werd de prijs 98 keer (92,5%) wel uitgereikt en 8 keer (7,5%) niet (1916, 1917, 1919, 1924, 1933, 1940, 1941 en 1942).
Van deze 98 keer werd hij 61 keer (62,2%) toegekend aan één persoon, 22 keer (22,5%) moesten ze de prijs delen en 15 keer (15,3%) vielen 3 personen in de prijzen.
In totaal kregen 150 scheikundigen deze prijs.

Ranglijst Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar land

Land

Aantal

Verenigde Staten

53

Duitsland

28

Groot-Brittannië

25

Frankrijk

8

Zwitserland

6

Canada

4

Japan

4

Nederland

3

Zweden

3

Nieuw-Zeeland

2

Israël

2

Oostenrijk

1

Hongarije

1

Finland

1

Rusland

1

Tsjecho-Slowakije

1

Italië

1

Noorwegen

1

Argentinië

1

Australië

1

België

1

Denemarken

1

Egypte

1

1970

Land

Bevolking (miljoenen)

Verhoudingsgetal

Verenigde Staten

200,3

71,5

Duitsland

79,0

28,2

Groot-Brittannië

55.9

20,0

Frankrijk

50,8

18,1

Zwitserland

6,3

2,3

Canada

21,4

7,6

Japan

103,5

37,0

Nederland

13,1

4,7

Zweden

8,0

2,9

Nieuw-Zeeland

2,8

1,0

Israël

2,9

1,0

Oostenrijk

7,4

2,6

Hongarije

10,3

3,7

Finland

4,7

1,7

Rusland

242,8

86,7

Tsjecho-Slowakije

14,5

5,2

Italië

53,7

19,2

Noorwegen

3,9

1,4

Argentinië

24,4

8,7

Australië

12,6

4,5

België

9,7

3,5

Denemarken

4,9

1,8

Egypte

33,3

11,9

Ranglijst Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar land
Gecorrigeerd voor de bevolkingsgrootte (x 100)

Land

Aantal

Zwitserland

260,9

Nieuw-Zeeland

200,0

Israël

200,0

Groot-Brittannië

125,0

Zweden

103,4

Duitsland

99,3

Verenigde Staten

Noorwegen

74,1

71,4

Nederland

63,8

Finland

58,8

Denemarken

55,6

Canada

Frankrijk

52,6

44,2

Oostenrijk

38,5

België

28,6

Hongarije

Australië

27,0

22,2

Tsjecho-Slowakije

19,2

Argentinië

11,5

Japan

10,8

Egypte

8,4

Italië

5,2

Rusland

1,2

Nederlandse Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901-2006

Naam

Jaar

Jacobus Henricus van ‘t Hoff

1901

Petrus Josephus Wilhelmus Debije

1936

Paul Crutzen

1995

Ranglijst Puntentotaal Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar werelddelen

Werelddelen

Aantal

Europa

36

Amerika

15

Azië

5

Oceanië

0

Afrika

0

Ranglijst Puntentotaal Nobelprijswinnaars voor de Scheikunde 1901 – 2006 naar werelddelen
Gecorrigeerd voor de bevolkingsgrootte

Werelddelen

Aantal

Europa

37

Azië

9

Oceanië

9

Amerika

4

Afrika

0

Jacobus Henricus van ’t Hoff (1852-1911)
Nobelprijs voor de Scheikunde 1901

Jacobus Henricus van ’t Hoff werd geboren op 30 augustus 1852. Hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader was, zoals veel van zijn voorvaders, burgemeester van het Zuid-Hollandse dorp Groote Lind. Normaal gesproken zou een telg uit zo’n geslacht vanzelfsprekend naar het gymnasium gaan. Van ’t Hoff toonde echter al vroeg een voorliefde voor de natuurwetenschappen en het onderwijs daarin stond inmiddels op de HBS op een hoog niveau. Na de HBS werd hem voor zijn studie in Leiden dispensatie verleend voor Grieks en Latijn. Hij behaalde zijn kandidaatsexamen en vertrok naar Duitsland en later naar Frankrijk, waar hij werkte in de laboratoria van twee grote mannen in de chemie in die tijd: Kekulé en Wurtz. In 1873 behaalde hij in Utrecht zijn doctoraal om daarna door te reizen naar Parijs. Een jaar later keert hij terug naar Utrecht om te promoveren. Zijn proefschrift was getiteld Bijdrage tot de kennis van het cyaanazijnzuur en het malonzuur.
Veel grotere naam maakte hij echter met een boekje dat enige maanden daarvoor verscheen: Voorstel tot Uitbreiding der Tegenwoordige in de Scheikunde gebruikte Structuurformules in de Ruimte, benevens een daarmee samenhangende Opmerking omtrent het Verband tusschen Optisch Actief Vermogen en chemische Constitutie van Organische Verbindingen. In dit boekje, dat slechts 13 pagina’s bevatte, zette hij een nieuwe visie op chemische structuurformules uiteen. Een structuurformule geeft inzicht in de chemische samenstelling van een stof. Zo kunnen verschillende stoffen, die dezelfde elementen in dezelfde verhouding bevatten, toch worden onderscheiden. Dit bleek echter nog niet voldoende om verwarring over stoffen uit te sluiten. De Duitse scheikundige Wislicenus had al in 1873 zijn vermoeden gepubliceerd, dat dit samenhing met een verschillende ruimtelijke uitwerking van de structuurformule. Van ’t Hoff werkte dit verder uit, met behulp van kartonnen modellen, en kwam tot een driedimensionale weergave van de structuurformules. Tot die tijd waren de tekeningen van moleculen altijd tweedimensionaal geweest. Zijn ruimtelijke weergave van atomen en moleculen loste bovendien nog een aantal onverklaarde waarnemingen op. Hij was met zijn voorstel één van de pioniers van de zogenaamde stereochemie. Van ’t Hoffs stelling was in het Nederlands geschreven en werd pas internationaal bekend na de Duitse vertaling door een leerling van Wislicenus.
Maatschappelijk ging het Van ’t Hoff in eerste instantie niet voor de wind. Alleen de veeartsenopleiding in Utrecht had een baan voor hem. De nieuwe hoogonderwijswet van 1876, waarbij een aantal nieuwe universiteiten werden gecreëerd, gaf hem – zoals veel van zijn generatiegenoten – zijn kans. Na twee jaar kon hij zijn lectoraat al inruilen voor een hoogleraarschap in de chemie, mineralogie en geologie in Amsterdam. Zijn inaugurele rede Verbeeldingskracht in de Wetenschap toonde aan, dat alle grote wetenschappers deze eigenschap in hoge mate bezaten. In Amsterdam werden vervolgens verwoede pogingen gedaan hem te behouden voor de universiteit. Hij kreeg zelfs een eigen laboratorium. Toch vertrok hij in 1886 naar Pruisen, waar hij van de Pruisische Academie van Wetenschappen alle ruimte kreeg om aan zijn onderzoek te werken. Iets waar hij in Amsterdam, door de hoge onderwijsdruk, nauwelijks meer aan toekwam. In 1911 overleed hij op 56-jarige leeftijd aan tuberculose.
Naast de ontwikkeling van de stereochemie werkte Van ’t Hoff aan twee andere belangrijke onderzoeksterreinen. In de eerste plaats was dit het chemisch evenwicht, een situatie waarin de verhoudingen tussen twee of meer stoffen stabiel zijn. Een andere onderwerp was de studie naar osmose. Osmose stelt plantencellen, rode bloedlichaampjes of andere cellen in staat om water uit de omgeving aan te zuigen en vast te houden. Er is echter een grens aan de hoeveelheid water die zo’n element kan opnemen. Van ’t Hoff leverde de theoretische onderbouwing van dit fenomeen, dat al enige decennia daarvoor was vastgesteld.
Van ’t Hoff was de allereerste winnaar van de Nobelprijs voor de Scheikunde. De Nobelprijs voor de Chemie werd hem toegekend voor zijn werk op het gebied van de osmotische druk en het chemisch evenwicht, niet voor de introductie van de stereochemie.

Petrus Josephus Wilhelmus Debije (1884-1966)
Npbelprijs voor de Scheikunde 1936

Vormgever: Karel Hageman

Petrus Debije werd op 24 maart 1884 in Maastricht geboren. Zijn schooltijd was, naast een later verblijf aan de Universiteit, de enige tijd die hij in Nederland doorbracht. Hij ging studeren in Aken, waar hij al snel opviel. In 1905 studeerde hij af in de elektrotechniek en werd hij assistent van de natuurkundige Arnold Sommerfeld. Na zijn promotie in 1908 en een verblijf in München en Zürich, keerde hij in 1912 voor een korte periode terug naar Nederland als hoogleraar in de theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Utrecht. Daarna keerde hij weer naar Duitsland. Hij werd eindredacteur van het belangrijke Physikalische Zeitschrift en hield professoraten bij verschillende universiteiten.
Debijes onderzoek concentreerde zich op de structuur van atomen en moleculen. De natuurkunde stond in die jaren in het teken van de grote theorieën: de kwantummechanica en de relativiteitstheorie. Debije volgde dit nauwlettend, maar was zelf zeer gericht op de praktische toepasbaarheid van zijn bevindingen. Zo leverde hij een grote bijdrage aan de toepasbaarheid van de kwantummechanica. Zijn bekendheid, en zijn Nobelprijs, dankte hij echter voornamelijk aan meetmethoden voor onderzoek naar de structuur van moleculen.
In 1910, toen hij als assistent van Sommerfeld in München werkte, werkte deze aan nieuwe manieren om aan te tonen hoe atomen en moleculen in een kristal gerangschikt zijn. Hiervoor liet hij een smalle lichtstraal door een kristel heen op een scherm vallen. Uit het patroon dat hierdoor zichtbaar werd, kon afgeleid worden, hoe de atomen in het kristal zich tot elkaar verhielden. Deze methode werd later doorontwikkeld, door gebruik te maken van röntgenstraling in plaats van licht. Debije benaderde het probleem zowel praktisch als theoretisch en kwam met een verbetering door gebruik te maken van poeder, en later ook van vloeistoffen, in plaats van kristallen. Uiteindelijk lukte het hem in 1929 ook om de afstanden van de atomen binnen een molecuul te meten door röntgenstralen door een gas te leiden. Het was met name deze doorbraak, die er toe leidde, dat hem in 1936 als natuurkundige de Nobelprijs voor de Scheikunde toegekend.
Twee jaar eerder was hij als opvolger van Einstein, die als jood het werken onmogelijk was gemaakt, benoemd tot directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut voor Natuurkunde in Berlijn. Onder zijn naam kreeg het de naam, waaronder het nog altijd bekend is: het Max Planck Instituut. Einstein, met wie hij al eerder in contact was gekomen, nam Debije deze stap altijd kwalijk. Debije hoefde als Nederlander, in eerste instantie, geen loyaliteitsverklaring aan het nazi-regime te tekenen. Na zijn Nobelprijs werd de druk op Debije, om zich tot Duitser te laten naturaliseren, echter steeds groter. Hij weigerde en vertrok naar de Verenigde Staten, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij bleef tot 1952 als hoogleraar scheikunde verbonden aan de Cornell University. De veelzijdige Limburgse Nobelprijswinnaar overleed in 1966.
In het voorjaar van 2006 is enige ophef ontstaan over de rol van Peter Debije in de periode 1933-1945. OCW heeft het NIOD opdracht gegeven, om onderzoek te doen naar de houding van Nobelprijswinnaar Debije tegenover het Derde Rijk.

1884 geboren op 24 maart 1884
1905 studeert af in elektrotechniek
1908 promotie
1910 werkzaam in München
1912 keert voor een korte periode terug naar Nederland
1934 directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut voor Natuurkunde te Berlijn
1936 krijgt als natuurkundige de Nobelprijs voor de Scheikunde
1952 einde hoogleraarschap aan de Cornell Universty (VS)
1966 overleden
2006 ophef over de rol van Peter Debije in de periode 1933-1945

DE HOOGSTE WIJSHEID

Sunday, October 29th, 2006

DE HOOGSTE WIJSHEID
Bron: De Volkskrant
Auteur: Herman Franke
Datum: 27-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Zo’n canon van Nederland is mooi, maar al heel lang is iedereen in Nederland al zijn eigen canon. Rembrandt was groot, maar Nederlanders schilderen zelf toch ook heel verdienstelijk. Wat Spinoza zei, hebben ze zelf ook wel eens bedacht op de zonnebank. Zij behoren zelf beslist niet tot de familie Doorsnee van Annie M.G. Schmidt. La Hollande c’est moi. Om het maar eens in beschaafd Oudnederlands te zeggen. Dit is heel wat anders dan: kom je aan Nederland, dan kom je aan mij. In Nederland komen mensen vooral aan zichzelf als ze aan Nederland komen.
Hoezeer de Nederlandse volksaard juist daaruit bestaat dat iedereen dat zelf wel uitmaakt, blijkt weer eens duidelijk uit de reacties die op de website van de canon (www.entoen.nu) binnenstromen. Er wordt van alles en nog wat gemist, vooral wat ze zelf van belang achten. Weinigen kunnen waardering opbrengen voor het werk van de commissie. Veel reacties zijn geschreven op de toon van: had mij nou even geraadpleegd, dan had je een veel betere lijst gehad.
Ik heb eens goed gekeken naar de reacties op de ‘literaire vensters’ in de canon: Hebban olla vogala, Erasmus, Spinoza, Max Havelaar, Anne frank en Annie M.G. Schmidt. Het is bijna allemaal negatief, maar ook – dat moet ik toegeven – niet dociel. Voor zoete koek wordt er niets meer geslikt in dit land. De elite kan ze nog meer vertellen en ze kunnen de elite nog meer vertellen. De radicale islam heeft hier geen schijn van kans, hoezeer Geert Wilders, Leon de Winter, Afshin Elian, Hirsi Ali en een quasi-verlicht deel van De Volkskrant -redactie ons daar ook van proberen te overtuigen met een terreur van artikelen vol tsunami-metaforen, angstzaaierij en apocalyptische complotanalyse.
Zo, dat ben ik kwijt. Dat moeten ook velen gedacht hebben die reageerden op de canon, want het zuur druipt er vaak vanaf. Hebban olla vogala wordt een ‘stompzinnig versje’ genoemd, dat bovendien volgens de meesten beslist niet de eerste geschreven Nederlandse woorden bevat. In de reacties op Erasmus wordt vooral geklaagd over een verkeerd jaartal en het ontbreken van De lof der zotheid in de opsomming van zijn werken. Dit is zo’n beetje de teneur van alle reacties op de canon: veel muggenzifterij en veel tegenvoorstellen.
Max Havelaar komt er behoorlijk goed vanaf. Dat zegt helaas niets, want toen ik dit stukje schreef waren er nog maar vier reacties binnen, waarmee Multatuli een van de weinige ‘vensters’ is, die amper reacties oproepen. Dat is bepaald wel eens anders geweest, maar dat interesseert blijkbaar niemand meer. De eerste reactie bestond uit kritiek op de schrijfwijze van de titel! Daarop stelde iemand meteen de fraaie ironische vraag: ‘U heeft het boek wel gelezen?’
Dit brengt mij waar ik wezen wil. Ik had nog nooit iets van Annie M.G. Schmidt gelezen, voordat de canon bekend werd gemaakt. Hier gaapte opeens een gat in de literaire kennis, die ik als Nederlander minimaal moet hebben. Dat wilde dicht. Omdat ik toch een grote nieuwe boekenkast met veel plankjes moest verven, kocht ik Het grote Annie M.G. Schmidt Luisterboek met een totale speelduur van ruim 7,5 uur. Al strijkend luisterde ik naar haar sprookjes en maakte ik kennis met Minous, Floddertje, het beertje Pippeloentje, Jip en Janneke, Dikkertje Dap en Pluk van de Petteflet.
Als ik nu lees dat iemand zijn oor te luisteren heeft gelegd, zie ik een groot roze oor in het gras of op een vensterbank liggen. En als ik weer eens een naam kwijt ben, ga ik gewoon naar de afdeling gevonden voorwerpen van mijn stadsdeel. Van alle woorden die op oen eindigen, maak ik een verkleinwoordje, zodat ze in een gedicht kunnen over Pippeloentje. Ik ben nu op de hoogte van ‘het begin en einde van alle wijsheid’, te weten: ‘was je met spuug en lik jezelf’. Zeker is ook dat ik vanaf nu, bij ongepast gedrag van een medemens, altijd zal denken: een juffrouw geeft geen kopjes. Ik moet nog leren er niet bij te zeggen, dat het om uitspraken van de damepoes Minoes gaat, want dat schijnt iedereen in Nederland meteen te snappen. Tot nu toe kende ik alleen het drama van de spin Sebastiaan, doordat een tante van mij dat te pas en te onpas declameerde. Ik heb daar nooit een onweerstaanbare drang tot het weven van een web aan overgehouden. Maar nu, nadat ik het grote luisterboek heb gehoord, voel ik wel een onweerstaanbare drang tot het maken van kinderen. Om hun voor te kunnen lezen uit Annie M.G. Schmidt.
Maar of ze nou in die canon thuishoort? Ach, wat kan mij dat schelen. Ik blijf, zoals alle Nederlanders, toch mijn eigen canon.

DE VOLKSKRANT BETA-CANON

Saturday, October 28th, 2006

DE VOLSKRANT BETA-CANON
Bron: De Volkskrant
Datum: 28-10-06
Vormgever: Karel Hageman

NAMEN STROMEN BINNEN

Het was natuurlijk een beetje een inmuls, het besluit dat De Volkskrant het voortouw neemt in het opstellen van een canon voor de exacte wetenschappen. Terwijl het bericht over het project al op de voorpagina van de krant stond, vorige week zaterdag, moest er nog van alles worden bedacht en geregeld.
Wie moesten er in de canoncommissie, behalve bioloog Ronald Plasterk die zich meteen bereid verklaarde? Uitnodigingen verzonden, maar antwoorden waren er nog niet.
En wat moest precies de opzet van De Volkskrant Bètacanon worden. Alleen Nederland? Alleen kopstukken? Of toch een bredere lijst van wat een Nederlander minimaal over bèta weten moet? Dus ook het atoom en DNA?
Hoofdbrekens te over dus. Maar één ding was meteen duidelijk. Het plan raakte een gevoelige snaar bij de lezers. Zodra zaterdagochtend op de website van de krant de mogelijkheid was opengesteld om ook zelf iets of iemand voor de canon te nomineren, stroomden de reacties binnen. De teller staat na een kleine week al ver over de driehonderd suggesties. Een snelle verkenning leert, dat er daarvan eenderde uniek is. Dat wil zeggen: sommige inzendingen komen twee of meer keren terug bij verschillende inzenders. Over sommige namen zijn de lezers van De Volkskrant het dus meteen eens. Dat is een prima statistische basis voor de commissie van natuurwetenschappen en historici, die uiteindelijk zal beslissen over de onderwerpen die in de bètacanon terechtkomen en welke niet. Want, zo hebben we ons ook voorgenomen, De Volkskrant Bètacanon wordt geen populariteitspoll.
Wat u wél kunt doen, is de lijst kritisch doornemen, zoals die vanaf vandaag op de site te bezichtigen is. Over veel is men het eens. Maar wat zijn de omissies? En vooral: namen zat, maar welke onderwerpen zijn we nog vergeten?

Zoals bij elke goeie canon leidt de ruwe lijst tot een aanhoudend knikken. Ja natuurlijk, Christiaan Huygens, Lorentz, Van Leeuwenhoek, Lely, Leeghwater, Stevin, Deltawerken, Erasmus.

Maar daar hadden we al bijna Kees Schouhamer Immink over het hoofd gezien. Wie? De Nederlandse uitvinder van de digitale opslagmedia, van cd-roms tot dvd. En trouwens topinformaticus Edsger Dijkstra ook nog.

Nomineer zelf voor de Beta-canon: volkskrant.nl/betacanon

TWEE EXOTISCHE BROERS VAN PROTON EN NEUTRON

Saturday, October 28th, 2006

TWEE EXOTISCHE BROERS VAN PROTON EN NEUTRON
Bron: De Volkskrant
Datum: 28-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Amerikaanse fysici hebben in de Tevatron-deeltjesversneller bij Chicago twee exotische deeltjes ontdekt. Atoomkernen bestaan uit protonen en neutronen, die weer bestaan uit drietallen van quarks: een proton uit het drietal up-up-down, een neutron uit down-down-up. Daarnaast bestaan er vier zeldzame quarks: top, bottom, charm en strange. Deze zijn veel zwaarder en samenstellingen ermee vallen in een fractie van een seconde uit elkaar.
Het nieuw ontdekte deeltje, sigma-sub-b, bevat een bottom-quark en is in twee varianten ontdekt: 104 positief geladen (up-up-bottom) en 134 negatief geladen (down-down-bottom).

WANDELAARS KRIJGEN MINDER VAAK LOOPNEUS

Saturday, October 28th, 2006

WANDELAARS KRIJGEN MINDER VAAK LOOPNEUS
Bron: De Volkskrant
Datum 28-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Mensen die redelijk wat bewegen zijn minder vaak verkouden, stellen onderzoekers van het Fred Hutchinson Cancer Research Center in Seattle in het novemburnummer van The American Journal of Medicine.
Ze volgden 115 postmenopauze vrouwen met overgewicht een jaar lang, aan de hand van ingevulde vragenlijsten. Vrouwen die vijf dagen in de week een wandeling maakten van drie kwartier, waren, gerekend over het hele jaar, significant minder vaak verkouden dan een controlegroep van weinig bewegers.

VENSTER UIT CANON TREKT BEZOEKERS NAAR PLANETARIUM

Friday, October 27th, 2006

VENSTER UIT CANON TREKT BEZOEKERS NAAR PLANETARIUM
Bron: De Volkskrant
Datum: 27-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Dat de canon inspirerend werkt, is te merken bij het Eise Eisinga Planetarium in Franeker. Directeur en conservator Adrie Warmenhoven: ‘Normaal hebben we zo’n 100 bezoekers per dag, maar sinds de canon uit is, is dat opgelopen tot 250 a 300 per dag.’
Dat komt niet door het onderwijs. Warmenhoven: ‘dat kan ook niet, op zo’n korte termijn. Maar ik merk wel grote belangstelling uit het onderwijs. Daar gaan we op inspelen en dat willen we breder aanpakken dan alleen het planetarium. We willen samenwerken met de gemeente en met het Museum Martena, om de historie van de stad, als oude universiteitsstad, voor het voetlicht te brengen.’

CANON VERANDERT ONDERWIJS NIET

Friday, October 27th, 2006

CANON VERANDERT ONDERWIJS NIET
Bron: De Volkskrant
Auteur: Gerard Reijn
Datum: 27-10-06
Vormgever: Karel Hageman

De canon van Nederland ligt er, maar gaat hij nu de inhoud van het geschiedenisonderwijs bepalen? Jan Maarten De Wit, docent geschiedenis te Didam en secretaris van de vereniging van geschiedenisdocenten VGN: ‘Ik vraag me dat af. En de hele vereniging vraagt het zich af.’
De inhoud van het geschiedenisonderwijs is net vastgelegd in nieuwe kerndoelen en eindtermen. Op basis van adviezen van de Commissie De Rooy is de geschiedenis opgedeeld in tien tijdvakken. De laatste besluiten daarover heeft de Tweede Kamer in augustus genomen. De Wit: ‘Daarin komt de canon dus niet voor.’
Ruimte om de canon toch nog de lessen in te krijgen is er nauwelijks, want veel tijd voor geschiedenis is er niet op school. De Wit ziet één uitzondering. ‘De canon kan een inspiratiebron zijn voor projecten. Ik zit zelf bijvoorbeeld te denken aan Willem Drees.’ Maar die zullen moeten concurreren met onderwerpen uit de actualiteit.


Ook Joep den Otter, directeur basisonderwijs bij de grootste uitgever van schoolboeken, Malmberg, denkt niet dat de canon grote invloed zal hebben. ‘Wij hebben ons te richten naar de kerndoelen. Die zijn wettelijk vastgesteld, en de canon krijgt geen wettelijke status. We hebben anderhalf jaar geleden een methode op de markt gebracht volgens het stramien van de tien tijdvakken. In het basisonderwijs gaan boekjes zo’n tien jaar mee. Om alle basisscholen van nieuwe boekjes te voorzien, kost zeker 20 miljoen. Ik denk niet dat de minister van plan is daar geld voor uit te trekken. Dat heeft ze ook niet gedaan toen de euro werd ingevoerd, en ook niet toen de nieuwe spelling werd ingevoerd.’
Heel erg vindt Den Otter dat niet. ‘De canon bevat geen grote verrassingen. Bijna alles zit al in het huidige onderwijs, op een paar uitzonderingen na. Bijvoorbeeld Eise Eisinga als toonbeeld van de Verlichting. En Annie M.G. Schmidt.’
In het voortgezet onderwijs worden de boeken sneller vervangen. Maar Den Otters collega Jacob Schuiringa, directeur voortgezet onderwijs bij dezelfde uitgever, denkt dat het nog enkele jaren duurt voor de eerste boeken verschijnen waarin de canon kan zijn verwerkt. Sommige vensters uit de canon zullen worden gebruikt als kapstok om onderwerpen aan op te hangen. ‘Meer betekenis moet u aan de canon niet hechten,’ zegt Schuiringa.
Toch is het niet zo, dat de uitgevers op korte termijn niets zullen doen met de canon. Alle geschiedenismethodes werken multimediaal, wat er op neerkomt dat er een website bij hoort en dat er soms uitbreidingsboekjes uitkomen. In die producten kan de canon een rol spelen.
Wat minister Van der Hoeven van Onderwijs betreft, hoeven uitgevers en onderwijsgevenden niet veel te veranderen. Zij schreef in haar reactie op de canon dat ‘alle vijftig items binnen de huidige kerndoelen passen en in de huidige schoolboeken voorkomen, en dat het vooral gaat om de manier waarop ze worden aangeboden’.
De canoncommissie zelf heeft voorgesteld de wandkaart met de vijftig items onder alle scholen te verspreiden, maar de minister heeft daarover nog geen uitspraak gedaan. Zij wil eerst de maatschappelijke discussie afwachten, en heeft daarvoor een half jaar uitgetrokken. De VGN houdt op 10 november een congres over de vraag wat te doen met de canon.

CHARLES DARWIN

Thursday, October 26th, 2006

CHARLES DARWIN
Bron: NRC-Next
Datum: 24-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Charles Darwin Charles Darwin

Cambridge University heeft de volledige werken van Charles Darwin op internet gezet. De Britse universiteit heeft zowel zijn boeken als ongepubliceerde aantekeningen gedigitaliseerd. De teksten van de beroemde Britse natuuronderzoeker en grondlegger van de evolutietheorie, zijn ook te beluisteren, zodat ook blinden en slechtzienden tot het werk hebben.
De site bestaat uit 50.000 pagina’s doorzoekbare tekst en 40.000 afbeeldingen uit de originele publicaties, en is nog lang niet af. De verantwoordelijken voor het Darwin-project hopen dat in 2009, 200 jaar na Darwins geboorte en 150 jaar na de publicatie van zijn baanbrekende boek The Origin Of Species, de hoeveelheid gepubliceerd verdubbeld is. Darwin-kenner John van Wye, kwam op het idee voor de site, toen hij zelf onderzoek deed naar Darwin.
Bekijk de volledige werken op www.darwin-online.org.uk

WIE IJZER RUIKT, RUIKT GEWOON ZICHZELF

Thursday, October 26th, 2006

WIE IJZER RUIKT, RUIKT GEWOON ZICHZELF
Bron: NRC-Next
Datum: 24-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Dat mensen in staat zouden zijn ijzer te ruiken is een illusie. Onderzoekers in Virginia, aangevoerd door Dietmar Glindemann, tonen dit aan in het vakblad Angewandte Chemie (international edition, 45).
Proefpersonen herkenden onmiddellijk de typische ijzerlucht aan hun handen, als ze een ijzeren voorwerp hadden beetgepakt. Dezelfde geur werd opgewekt door een oplossing met ionen tweewaardig ijzer (Fe). Maar niet door andere ijzerionen. In analyses van gasmonsters, die bij de handen waren verzameld, werden allerlei organische stoffen gevonden, die de geur kennelijk opwekten. De voornaamste was het keton, 1-octeen-2-on. Het ontstaat uit vetachtige stoffen uit de huid, die met bepaalde ijzerionen reageren. Bloed in contact met de huid wekt precies dezelfde geur op. Bloed ruikt inderdaad metalig.

OOG VALT VANZELF OP PLAATJE VAN BLOTE VROUW

Thursday, October 26th, 2006

OOG VALT VANZELF OP PLAATJE VAN BLOTE VROUW
Bron: NRC-Next
Datum: 25-10-06
Vormgever: Karel Hageman

Mannen kunnen er niks aan doen, dat ze naar plaatjes van blote vrouwen kijken. En vrouwen kunnen er ook niets aan doen dat ze naar plaatjes van blote mannen kijken. De ogen worden er vanzelf naartoe getrokken, zelfs als de plaatjes te kort en te onduidelijk getoond worden om herkenbaar te zijn. Dat schrijven psychologen van de universiteit van Minnesota in Procedings of the National Academy of Sciences (online, early edition).
Ze toonden dit aan met een proefopstelling, waarbij de ogen elk apart naar een beeldscherm kijken. Het ene oog kreeg zowel aan de linker- als de rechterkant van het scherm een vage vlek gepresenteerd. Bij het andere oog was een van de vlekken vervangen door een erotische foto van een man of een vrouw. Het geheel werd 800 milliseconden getoond, te kort voor de hersenen om het beeld van beide ogen te kunnen integreren. Dat komt ook doordat, als beide ogen iets verschillends zien, het beeld dat het ene oog ziet, onderdrukt wordt door het beeld dat het andere ziet.
De proefpersonen zagen de blote plaatjes dus niet bewust (en gegevens van proefpersonen die zeiden dat ze wel iets herkend hadden, werden uit het onderzoek verwijderd). Maar daarna kregen de proefpersonen (in beide ogen) een streepjescode te zien, waarvan ze moesten zeggen of het links of rechts op het scherm zat. En dat deden ze sneller goed als de vlek aan de kant van de erotische foto verscheen, waar hun ogen kennelijk toch al naartoe waren getrokken.
Althans, zo ging het bij heteromannen en blote vrouwenplaatjes en heterovrouwen en homomannen met blote mannenplaatjes. Lesbiennes zaten er tussenin, en de ogen van heteromannen draaiden juist weg van plaatjes van blote mannen.
De onderzoekers denken, dat het allemaal de schuld is van de amygdala, het hersengebied dat emotionele informatie verwerkt. Dat kan kennelijk buiten het bewustzijn om beïnvloeden waar de ogen zich op richten.