
SIMON CARMIGGELT (1913 – 1987)
Bron: Wikipedia
Datum: 27-02-07
Vormgever: Karel Hageman
Simon Johannes Carmiggelt (1913-1987) was een Nederlands schrijver en columnist, die vooral bekend is geworden om zijn krantencolumns in Het Parool.

Jeugd
Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad Den Haag. Zijn moeder Jeanne had een hoeden- en pettenwinkel, zijn vader Herman was reiziger in vleeswaren. Hij had een oudere broer, Jan. Hij kwam uit een socialistisch, sterk anti-fascistisch milieu.
Vroege carrière
Carmiggelt begon als journalist, aanvankelijk bij Het Vaderland, in 1932 bij Vooruit, de Haagse editie van het socialistische Het Volk als toneel- en filmrecensent. Daar begon hij Haagse cursiefjes te schrijven, onder de titel Kleinigheden. Carmiggelt was een energieke jongeman met een duidelijke politieke overtuiging en zijn onrust om de opkomst van het Duitse nazisme inspireerde hem in ’38 tot het nemen van bokslessen.
‘Ik wilde weerbaar zij,’ zei hij daar zelf over, ‘maar ik bokste slecht.’ In zijn stamkroeg leerde hij moderedactrice Tiny de Goey kennen, met wie hij op 6 september 1939 in het huwelijk trad. In februari daarop werd Marianne geboren en in november ’42 zijn zoon, Frank.
De Tweede Wereldoorlog
Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, namen ze de drukpersen in beslag en rantsoeneerden het papier. Uit protest nam Carmiggelt ontslag bij de krant en ging freelancen met o.m. publiciteitswerk voor het Zeebad Scheveningen. Ook redigeerde hij psychologische rapporten voor de Stichting Psychotechniek en hij schreef zelfs een complexe detectiveroman, Johan Justus Jacob, in dagelijkse afleveringen. Het verhaal werd maar één keer uitgegeven en daarna, op uitdrukkelijke eis van Carmiggelt zelf, nooit meer. ‘Een jeugdzone,’ noemt hij het, ‘ik denk er niet zonder enige gêne aan terug. Ik schreef het verhaal van dag tot dag en stelde het einde steeds maar uit. Want elke aflevering betekende een dag langer brood op de plank en daarom bedacht ik steeds maar weer nieuwe intriges en zijsporen. Samen met mijn vrouw heb ik tenslotte avonden achter elkaar zitten bedenken, hoe ik er een einde aan kon maken.’
Via vrienden raakte hij in Amsterdam betrokken bij het illegale blad Het Parool, waar hij instond voor de productie en de verspreiding. Stuk voor stuk riskante bezigheden en daardoor werd Carmiggelt tijdens een razzia door de bezetter opgepakt en in de gevangenis geworpen. Van de drukproeven die hij bij zich had, kon hij het grootste deel doen verdwijnen in een verlaten pand. Zijn broer was inmiddels gestorven in het concentratiekamp Vught – door de SS aangehouden wegens hulp aan de joden en de illegale distributie van voedselbonnen aan onderduikers. Na een week werd hij vrij gelaten wegens gebrek aan bewijs en hernam meteen zijn illegale activiteiten. In het laatste oorlogsjaar was hij redacteur van Het Parool. Latere biografen leggen bij zijn oorlogservaringen de verklaring voor Carmiggelts latere pessimisme en vooral zijn felle anti-totalitaire (en daarom ook anti-communistische) standpunten. Hij was zo fel in zijn standpunten, dat hij zich na de Hongaarse Opstand in 1956, bij een woedende menigte voegde, die de redactieburelen van het CPN-dagblad De waarheid bestormde.
Na de bevrijding werd Het Parool een heus dagblad en kreeg Carmiggelt er de leiding over de kunstrubriek. Hij schreef toneel- en filmrecensies en begon ook zijn cursiefjes, aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10.000 verschenen. Een selectie van 50 stukjes uit elke jaargang werd elk jaar door De Arbeiderspers in boekvorm uitgegeven. Soms werden de bundels geïllustreerd door vrienden-tekenaars als Peter Vos, Charles Boost, Otto Dicke en Peter van Straaten.
Literaire stijl
Literair is Simon Carmiggelt een duizendpoot. Naast het reeds eerder genoemde, schreef hij tussen ’48 en ’56 ook drie bundels ironische verzen onder het pseudoniem Karel Bralleput, in ’61 samen uitgegeven onder de titel Torren aan de lijm. Met Annie M.G. Schmidt hield hij jarenlang lezingen in Nederland en verder pende hij ook nog teksten voor cabaretiers als Wim Sonneveld en Wim Kan, schreef en sprak geestige filmcommentaren in, en las voor uit eigen werk, wekelijks op de Vara-radio en maandelijks op de Vara-televisie, waar hij laat op de avond één van zijn columns op zijn zeer karakteristieke zeer droge toon voorlas, na de herkenningsmelodie van Duke Ellington: In a sentimental mood.
Reputatie
Carmiggelts cursiefjes zijn uniek in het Nederlands taalgebied en ook ver daarbuiten. Het genre wordt weliswaar ook in Vlaanderen beoefend door diverse auteurs met wisselend succes, maar de Kronkels zijn ongeëvenaard. Hij was een meester in situatiehumor, observeerde scherp en creëerde dan een beeld of vergelijking, ‘waarin de mens niet alleen uiterlijk, maar ook helemaal innerlijk wordt opgeroepen’, aldus Kees Fens. Woordkeuze en formulering zijn meesterlijk, maar klinken nooit gezocht of geforceerd. In 1954 bedenkt hij in het cursiefje ‘Het woord’ het schitterende neologisme epibreren, dat de Van Dale haalt.
Carmiggelt schreef zijn stukjes niet op een redactiekantoor. Hij schreef ze thuis, op een bankje in het park, in de kroeg – hij hield er in 1972 een drankprobleem aan over – op een terrasje, enz…., onveranderlijk met een mooie balpen, één van de vele uit zijn uitgebreide collectie, want hij ‘had iets met pennen’, zei hij zelf. Als het stukje af was, deponeerde hij het in een speciaal daartoe aangebracht busje onder zijn deurbel. Een koerier van de krant kwam het daar elke dag ophalen.
Slenterend door de stad vond hij zijn thematiek. Hij verwerkte een detail van een banaal voorval tot een compleet verhaal, luisterde naar mensen en gebruikte elementen uit hun conversaties, verplaatst, herschikt, versterkt, stileert en bouwt. Soms verwerkte hij de gegevens, verzameld over een paar weken, tot een samenhangend geheel, soms was het cursiefje zo uit het leven opgeschreven. En altijd heeft de lezer de indruk, dat deze eigenste anekdote zich dagelijks ontelbare malen voordoet. Elke situatie heeft een grote mate van herkenbaarheid, van identificatie ook.
In de aanhef van de bundel Welverdiende onrust (1982) citeert Carmiggelt Woody Allen: ‘Natuurlijk is alles wat iemand schrijft uiteindelijk autobiografisch’, wat erop duidt, dat hij zich zeer nauw betrokken voelt bij de situaties en mensen, waarover hij schrijft. Vandaar ook de grote mildheid, waarmee hij dat telkens doet:
‘Hij is,’ zegt Jan Greshoff, ‘nooit geestig ten koste van iemand of iets.’
Die milde ironie heeft Carmiggelt met Elsschot gemeen, voor wie hij een grote bewondering had, met wie hij goed bevriend raakte en over wie hij boeiend publiceerde in Ontmoetingen met Elsschot (1985). Ook Kurt Tucholsky, Tsjechov en Nescio droeg hij in het hart.

Dood
Op het eind van zijn leven, kreeg hij ouderdomsdiabetes, die hij niet goed verzorgde, mede door het feit, dat zijn snel blind wordende vrouw nogal wat verzorging nodig had. Misschien was het drankprobleem uit zijn verleden hier mede oorzaak van, hoewel hij sinds 1978 geen sterke drank meer dronk.
De geheelonthouders hebben gelijk,
Maar alleen de drinkers weten waarom.
Zijn diabetes kreeg hij niet onder controle met als gevolg, dat hij in de herfst van ’87 in het ziekenhuis terechtkwam en de dag na zijn ontslag een hartinfarct kreeg. Na revalidatie in het Prinsengracht-ziekenhuis, kon hij weer naar huis, waar hij enkele weken later, in de laatste nacht van november, in zijn slaap aan een tweede infarct overlijdt.
Na zijn dood schreef Renate Rubinstein een bijzonder portret van de schrijver in Mijn beter ik. Niet iedereen was daar blij mee. Rubinsteins relaas van haar geheime verhouding met Carmiggelt werd door sommigen als ongepast gezien.
1913 Geboren op 7 oktober in Den Haag als Simon Johannes Carmiggelt
1932 Toneel- en filmrecensent bij Vooruit, Den Haag
1938 Neem bokslessen om weerbaar te zijn
1939 Trouwt met moderedactrice Tiny de Goey
1940 Geboorte van zijn dochter Marianne
1940 Vijftig dwaasheden samen
1940 Honderd dwaasheden (uitbreiding van Vijftig dwaasheden samen)
1942 Geboorte van zijn hoofd Frank
1945 Redacteur van Het Parool
1946 Verschijning op 25 oktober van de eerste Kronkel
1948 Allemaal onzin
1948 Het jammerhout
1950 Klein beginnen
1951 Omnibus
1952 Poespas
1953 Extra prijs van de Jan Campert-stichting voor Poespas
1954 Al mijn gal
1954 Articles de Paris
1954 Bedenkt het woord ‘epibreren’
1955 Duivenmelken
1956 Fabriekswater
1956 Bestormt, na de Hongaarse opstand, het gebouw van De Waarheid
1956 Kwartet
1956 Spijbelen
1957 Haasje over
1959 Een toontje lager
1961 Torren aan de lijm (onder het pseudoniem Karel Bralleput)
1961 Alle orgels slapen
1961 Een stoet van dwergen
1961 Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre
1962 Dag opa
1962 Kroeglopen I
1962 Tussen twee stoelen
1963 Oude mensen
1963 We leven nog
1964 Kinderen (combinatie van Klein beginnen en Dag opa)
1964 Later is te laat
1965 Kroeglopen II
1965 Fluiten in het donker
1965 Mooi weer vandaag
1967 Morgen zien we wel weer
1967 Prijs van de Amsterdamse Boekverkopers Vereniging
1968 Drie van vroeger
1968 Je blijft lachen
1969 Mijn moeder had gelijk
1970 Twijfelen is toegestaan
1971 Gewoon maar doorgaan
1972 Ik mag niet mopperen
1972 Krijgt een drankprobleem
1973 Elke ochtend opstaan
1974 Brood voor de vogeltjes
1975 Slenteren
1975 Maatschappelijk verkeer
1975 Edo Bergsma-ANWB-prijs voor zijn gehele toeristische oeuvre
1975 J.P. van Praag-prijs
1976 Dwaasheden
1977 Vroeger kon je lachen
1977 P.C.Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre
1978 Bemoei je d’r niet mee
1978 Raakt van z’n drankprobleem af
1979 De rest van je leven
1979 Mooi kado
1980 De avond valt
1980 Residentie van mijn jeugd
1981 Een Hollander in Parijs
1981 Verhaaltjes van vroeger
1982 Welverdiende onrust
1983 De Amsterdamse kroeg
1983 Met de neus in de boeken
1983 Mag ’t een ietsje meer zijn
1984 Ik red me wel
1984 Vreugden en verschrikkingen van de dronkenschap
1984 Alle kroegverhalen (Kroeklopen I en II)
1985 Ontmoetingen met Willem Elsschot
1986 Bij nader inzien
1986 Trio voor één hand
1987 De vrolijke jaren
1987 Het literaire leven
1987 Wordt opgenomen in het ziekenhuis voor een verwaarloosde diabetes
1987 Overleden op 30 november in Amsterdam aan een hartinfarct
1989 Zelfportret in stukjes
1990 De kuise drinker
1992 Schemeren
1993 Van u heb ik ook een heleboel gelezen
1995 Thelonious en Picasso
1999 Beste Godfried, beste Simon
1999 Voorhout